Posts tonen met het label Nederlandse poëzie : Tachtigers. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Nederlandse poëzie : Tachtigers. Alle posts tonen

woensdag 19 november 2008

Nog twee November-gedichten van Hein Boeken

NOVEMBER II.

Hoe schuilt in 't inn'ge groen der donkre dennen
Zoo gaarn mijn geest, dien al dat grauw benauwt
Der groote lucht rondom, waarin nu 't woud
Dat wind en weer, al 't sombre heir, kwam schennen.

Nog maar aan 't kaal getakte valt te kennen.
Hoe goed doet oog en blikken, moêgeschouwd,
Al 't groen van mos en loof, 't nat-bruin van 't hout,
Hoe mocht mijn blik aan gansch dees groenhof wennen!

Daar buiten 't grauw! Zóó heeft in groote wereld
Mijn hart zijn groenen hof bij u, mijn lief,
Dáár van al 't wild rumoer, dat buiten dwerrelt,
Komt het terug, daar vindt zijn nood gerief.

Daar, — als mijn oog doet al dat groen zoo goed —
Vind ik . . . hoe noeme ik al dat ziele-zoet?

12 Nov. 1909


* * * * * * * * * *


NOVEMBER III.

Hoe smeult een rosse brand daar op de stammen
In 't bruin gebladert voor he bleek der lucht —
Toch wil de brand nog niet; 't wil maar niet vlammen,
Al blaast ook wind, en doet met dor gerucht,

Als wilden kindertroep, een blader-vlucht
Rond-warlen over 't paden heuvel-dammen;
't Is een onwill'ge brand, een makke, tamme,
Maar als 't eens brandt, dan brandt het al geducht.

Als maar de zon komt, groote, gouden laaier,
Die 't al ontsteekt, al 't blad in alle landen,
— En wolken-meisjes komen ijlings kijken
Met witte halsjes, blauw-geranden waaier —
Dan brandt het àl, één roeklooze offerande;
En schoonst festijn zal gansch dees blad-brand blijken.

12 Nov. 1909
Hilversum

Voor het eerste gedicht uit deze reeks van drie over de maand November zij verwezen naar onze bijdrage op deze site van dinsdag 4 november.
Over de maand October hebben we, eveneens van Hein Boeken, op vrijdag 3 okotber een gedicht opgenomen.
Op maandag 22 september hebben we reeds Twee Herfst-gedichten van deze zelfde poëet op de site gezet.

maandag 22 september 2008

Twee Herfst-gedichten van Tachtiger Hein Boeken

HERFST

Weer buitlen wiju de donkre dagen binnen
Als winter alle licht verholen houdt,
Nu herfst haar wanden heft van louter goud,
Die schragen 't donkrend welfsel en de tinnen


Des tempels, waar z'haar nachtdienst gaat beginnen,
Waarop, daar elk den luchter brandend houdt,
Door duizend duizenden wordt neer-geschouwd,
Die sidderende tuigen van hun minnen.

Ter nacht lokt de Avond met haar gouden schijnen,
Ten winter Herfst met gouden kleuren-pracht.

Elk doet voor ons haar zwart een tempel schijnen,
Waarin een godheid onze aanbidding wacht.

Zóó, tintend 't Voor en 't Na met wondre verven,
Wijdt Tijd geheimnisvol 't ons naadrend sterven.

10 Oct. 1920















HERFST-NACHT

Op vochten grond van laten herrefst-nacht,
Die bijna scheen rees nieuwe lent'te beiden,
Trad ik op ranke pag, die krakend zacht,
Neêr-neeg op 't glooiende gebied der heide

Waar was het Oost? Verlangend in 't gedacht,
Zocht ik met 't oog of nergens aan den wijden
Einder der vlakt' licht's voorgevoelen blijde
Tijding van zonne-naadring eindlijk bracht.

Geen licht, geen morgen-schijn noch verre schemering;
Ook 't Westen lag gevoelloos van den brand,
Die het doorlaaid had, gansch wanneer Hij henenging.

Wiens werk en vuur toch voortleeft in den donker,
Wiens kracht mij woelt in de ongeduld'ge hand,
Daar tot rust maant 't geduldig star-geflonker.

(ongedateerd; waarschijnlijk vóór 1906)

HEIN BOEKEN (1861-1933)
__________

NB: Zie tevens het artikel van woensdag 6 augustus 2008, op de zustersite Tempel der Herinneringen, waarin een ander gedicht van deze Tachtiger een rol speelt.
__________
Foto: Portret van Hein Boeken, door Willem Witsen. (Collectie Prentenkabinet/Studie en Documentatie Centrum voor Fotografie (SDCF), Universiteit Leiden, inv.nr. E.130 )